Enforcer
Activiteit
Berichten: 5082
|
 |
« Antwoord #7 Gepost op: 17/10/2009 | 14:06 uur » |
|
Eerherstel voor de reservist Nederland neemt binnen de NAVO steeds meer een uitzonderingspositie in OPINIE, P.C. DIJKGRAAF Gepubliceerd op 17 september 1998 00:00, bijgewerkt op 16 januari 2009 13:05
Volkskrant
Eerherstel voor de reservist Nederland neemt binnen de NAVO steeds meer een uitzonderingspositie in OPINIE, P.C. DIJKGRAAF Gepubliceerd op 17 september 1998 00:00, bijgewerkt op 16 januari 2009 13:05
De bezuinigingen op Defensie moeten nog worden ingevuld, maar de kans is groot dat vooral de mobilisabele reserve hiervan het slachtoffer wordt. Buitengewoon kortzichting, meent P.C. Dijkgraaf, want zonder reservisten zal de krijgsmacht zijn taken straks niet meer kunnen vervullen.
IN DE komende kabinetsperiode moet fors worden bezuinigd op Defensie. Maar vooralsnog is volstrekt onduidelijk langs welke wegen deze bezuinigingen zullen worden gerealiseerd. Blijkens haar verkiezingsprogramma staat in ieder geval de Partij van de Arbeid afschaffing voor van alle mobilisabele eenheden. Binnen de VVD klinken soortgelijke geluiden.
Met de aanvaarding, eind 1996, van de Nota Reservistenbeleid door de Tweede Kamer werd de inzet van reservisten (behoudens die van het Korps Nationale Reserve) al beperkt tot buitengewone omstandigheden (lees: na afkondiging van de mobilisatie).
Met een beroep op de internationale veiligheiddssituatie in de wereld, die het mogelijk zou maken in geval van een grootschalig conflict rekening te houden met een politieke waarschuwingstijd van tenminste één jaar, werd bovendien gesteld dat aan het onderhoud van kennis en vaardigheden van het reserve-personeel, niet al te veel geld meer behoeft te worden besteed.
Alléén de zogeheten 'actieve reservisten' (inclusief het Korps Nationale Reserve nog geen zevenduizend man) zullen door functiegerichte trainingen op hun eventuele inzet onder buitengewone omstandigheden worden voorbereid.
In geen enkele andere NAVO-lidstaat wordt de 'reguliere reservist' op vergelijkbare wijze verwaarloosd. Maar internationaal gezien heeft Nederland zich ten aanzien van het reservistenbeleid vooral op twee andere punten in een uitzonderingspositie gemanoevreerd.
In de eerste plaats door de keuze reservisten uitsluitend in te zetten onder buitengewone omstandigheden. Alle andere westerse landen maken ook in vredestijd gebruik van reserve-personeel, en niet zelden op grote schaal.
Voor de Amerikaanse krijgsmacht zou het zelfs volstrekt onmogelijk zijn om zonder reservisten haar normale operationele taken uit te voeren. Maar ook door bijvoorbeeld de Scandinavische landen worden zij in groten getale uitgezonden in het kader van humanitaire missies en crisisbeheersingsoperaties. Zo was in voormalig Joegoslavië 45 procent van de Deense en meer dan 90 procent van de Noorse IFOR-troepen reservist.
Een tweede in het oog springend verschil tussen Nederland en de rest van de westerse wereld betreft de visie op de rechtstreekse werving van de reserve-militair. In ons land gebeurt dat slechts in zeer beperkte mate. Tot op heden wordt deze constructie alleéé toegepast bij het Korps Nationale Reserve en bij enkele zogenoemde 'kritische functies'.
Ter vergelijking: het merendeel van de Amerikaanse reservisten - óók in gevechtsfuncties - is nimmer beroepsmilitair geweest en in Groot-Brittannië geldt dit voor ongeveer een kwart.
Bij de reorganisaties van onze krijgsmacht na het opschorten van de opkomstplicht werd de afgelopen jaren steeds gewezen op het streven naar maximale professionaliteit. Omdat de nieuwe krijgsmacht 'flexibel' en 'slagvaardig' moest zijn, diende de rol van de Nederlandse reservist beperkt te blijven tot het grootschalige conflict.
Impliciet werd (en wordt) daarbij uitgegaan van de even onjuiste als beledigende vooronderstelling dat een militaire reservist per definitie minder professioneel zou zijn dan zijn of haar beroepscollega.
In de VS weet men wel beter. Daar heeft men gekozen voor het concept van de 'flexibele force', een organieke structuur waarin reservisten permanent worden ingedeeld bij staande eenheden, met als argumenten onder andere een optimale flexibiliteit en slagvaardigheid (!).
In werkelijkheid speelden in Nederland dan ook geheel andere motieven een rol om de reservist naar de zijlijn te verwijzen. Zoals naijver bij die krijgsmachtdelen waar reservisten van oudsher nauwelijks een rol speelden. Of de wens, zoveel mogelijk van het eigen personeel binnen de organisatie te kunnen houden.
Met betrekking tot de problematisch verlopende werving van beroepsmilitairen wordt steeds weer gewezen op het feit dat ook andere landen na het opschorten van de opkomstplicht met soortgelijke moeilijkheden werden geconfronteerd. Maar dat al deze landen hun wervingsproblemen uiteindelijk slechts de baas konden door gebruik te gaan maken van reserve-personeel, wordt stelselmatig genegeerd. Het is een utopie te denken dat alle functieplaatsen blijvend met beroepsmilitairen zouden kunnen worden gevuld. En dat heeft niets van doen met 'de conjunctuur'.
Ook in landen waar uitingen van patriottisme en militair vertoon - anders dan in Nederland - niet bij voorbaat met argwaan worden bezien, blijkt dat niet te lukken, ook al ligt het niveau van de sociale voorzieningen daar beduidend lager dan in ons land.
Ook bij maximale wervingsinspaningen zullen in Nederland op den duur niet voldoende beroepsmilitairen voor bepaalde tijd kunnen worden aangetrokken om de behoefte te dekken. De feitelijke wervingsresultaten wijzen al in die richting.
Reservisten zijn niet alleen onontbeerlijk voor de algemene verdedigingstaak (waarop zij dan ook moeten worden voorbereid), maar kunnen ook de voortzetting van 'out of area'-operaties garanderen (door hetzij daaraan zelf deel te nemen, hetzij de plaats in te nemen van een uitgezonden beroepsmilitair), in de opbouwfase een bijdrage leveren aan de civiel-militaire samenwerking en een essentiële rol vervullen bij de in Nederland zelfs op papier nog volstrekt ondermaats georganiseerde rampenbestrijding.
Tenslotte, en het is merkwaardig dat met name de Partij van de Arbeid voor dit aspect nauwelijks aandacht meer heeft, kunnen zij ertoe bijdragen, een dreigend maatschappelijk isolement van de krijgsmacht te voorkomen.
Dat met name dit laatste een niet te onderschatten probleem kan worden, leren bijvoorbeeld de ervaringen in Groot-Brittannië.
Het defensiebeleid dient niet te worden bepaald door militairen, maar evenmin te worden overgelaten aan politici wier blikveld niet verder reikt dan tot de volgende verkiezingen.
P.C. Dijkgraaf is reserve majoor-arts van de Koninklijke Landmacht en penningmeester van de NRFK (Nederlandse Reservisten Federatie Krijgsmacht).
|