Auteur Topic: Gezonde ‘taak-middelen balans’ van vitaal belang voor KL  (gelezen 2897 keer)

0 leden en 1 gast bekijken dit topic.

-Peter-

  • Webmaster
  • ERG FANATIEK
  • ********
  • Berichten: 4096
Gezonde ‘taak-middelen balans’ van vitaal belang voor KL
« Reactie #1 Gepost op: 14/04/2003 | 18:19 uur »

april-2003  INTERVIEW BLS

BLS Urlings: ‘Tanden van de organisatie zo veel mogelijk ontzien’

Wederzijds vertrouwen en loyaliteit. Luitenant-generaal Marcel L.M. Urlings, sinds september vorig jaar BLS, Bevelhebber der Landstrijdkrachten, zweert daarbij. Want zonder het volste vertrouwen maar ook de loyaliteit van en naar zijn (politieke) meerderen, zegt de opperste Landmachtcommandant niet te kunnen functioneren. Slechts op basis daarvan is immers een goede en werkbare relatie met de (politieke) Defensietop mogelijk. Een werkverhouding die bovendien gekenmerkt wordt door een uitvoerige verstrekking, over en weer, van tijdige en heldere informatie.

De nieuwe BLS vindt zo’n informatie-uitwisseling van ‘cruciaal belang’, zeker gegeven de ‘omvangrijke financiële problematiek’ waar de krijgsmacht, de Landmacht in het bijzonder, wederom mee geconfronteerd wordt.
Bezuinigingen die de organisatie andermaal diep raken en die de KL-bevelhebber ‘eerst en vooral wil invullen’ door te snijden in de Haagse staven. Het is er Urlings, 52 jaar, namelijk alles aan gelegen om ‘de tanden van de organisa-tie, de operationele eenheden, zo veel mogelijk te ontzien’. In de Defensie-nota 2000 werd tenslotte niet voor niets gepleit voor ‘meer groen op de grond’. Toen was immers al duidelijk dat de druk op de eenheden fors zou toenemen door het fikse aantal uitzendingen. De generaal meent dat de ‘Haagse staven’ in balans moeten worden gebracht met de inmiddels veel geringere omvang van de KL, aleer hij op de zeepkist kan klimmen om de organisatie kond te doen van weer een nieuw pak bezuinigingen.


Pijnlijke keuzes

Urlings: “Ik wil zeker niet beweren dat er in de staven niet hard wordt gewerkt. Maar we staan nu eenmaal voor pijnlijke keuzes waarbij we zo veel mogelijk moeten vermijden de ‘tanden van de organisatie’ aan te tasten, dat wil zeggen de mensen die nu en straks ingezet worden in Bosnië en Afghanistan. We moeten echt ánders gaan werken in Den Haag en veel meer met de andere krijgsmachtdelen. Alleen zo kunnen we daadwerkelijk met minder personeel toe.”
Toch, het jongste pak aan bezuinigingen is zo omvangrijk, dat een forse functiereductie bij de staven alleen niet toereikend zal zijn. Gevreesd wordt dan ook dat de operationele eenheden niet buiten schot zullen blijven. Bekend is al dat de ‘reservecomponent’ wordt opgeheven. Volgens Urlings “een maatregel die een grote impact heeft, en een fikse aderlating betekent -voor de KL, die van oudsher een reser-vecom-ponent kent. Het betreft weliswaar gevechtskracht die een bepaalde activeringstijd nodig heeft, maar het is gevéchtskracht. Daarnaast kunnen we, om financiële redenen, ook niet de aantallen bbt’ers binnenhalen die we eigenlijk nodig hebben.”
Volgens sommigen vecht de KL een uphill battle en vertonen de tanden van de organisatie nu alreeds sporen van de gevreesde ‘wolf’. En intussen werken de ‘bezuinigingseffecten’ ook al door op de werkvloer, waardoor bijvoorbeeld de vulling van eenheden met bbt’ers noodgedwongen verre van optimaal is. “Heel concreet betekent dit dat operationele eenheden niet volledig gevuld kunnen worden. We blijven, gemiddeld genomen, hangen op zo’n 80%, - voor sommige functies is het ‘vullings-percentage’ overigens aanzienlijk lager. Een en ander betekent dus dat als ik over een half jaar een eenheid uit bijvoorbeeld Seedorf wil uitzenden, ik hoogstwaarschijnlijk gedwongen zal zijn om tegen bbt’ers, uit Oirschot, te zeggen dat ze niet bij hun eigen eenheid mogen bijtekenen omdat, vanwege de aanstaande uitzending, de prioriteit bij de eenheid in Seedorf ligt. Die ‘Oirschotters’ zullen we dan moeten doorverwijzen naar Seedorf. Ook in dit opzicht is het effect van de nieuwe bezuinigingen dus echt voelbaar op de werkvloer.”

Personele verschuivingen

Onder meer doordat de vulling van eenheden door de bank genomen noodgedwongen blijft ‘hangen’ op 80%, is de Landmacht genoodzaakt voor het ‘uitzendgereedmaken’ van eenheden, personeel van elders te ‘verschuiven’ naar de betrokken eenheden. Een van de gevolgen daarvan is dat zowel de werklast als de werkdruk bij de eenheden die zo’n ‘aderlating’ moeten ondergaan, een steile opwaartse curve te zien geeft. Een dergelijke ervaring staat ook de Haagse staven te wachten die een fikse functiekorting boven het hoofd hangt.
Overigens is de KL-bevelhebber nu al doende met het ‘inkleuren’ van de personele reducties in verband met de 53-54 jarigen-maatregel, alsook de vacature-stop voor burgerpersoneel. “Dit soort ingrepen leidt veel directer tot ‘extra werk dat door andere schouders gedragen moet worden’, want er valt een aanzienlijk aantal plekken open in de Haagse staven. Ook de functies van de mensen die regulier met leeftijdsontslag gaan, worden vaak niet meer gevuld. Het geld dat hiermee vrij valt, willen we gebruiken om toch nog een redelijk aantal bbt’ers binnen te kunnen halen. En dat is dus wat ik eerder in het gesprek al aangaf. We maken een fundamentele keuze door de pijn in eerste instantie in ‘het Haagse’ te leggen. Die maatregelen vereisen wel dat we in het kader van het SAMSON-project (de krijgsmachtbrede reorganisatie) snel, ferme stappen zetten. Want ik kan het mij niet veroorloven te lang zo veel extra’s van mijn mensen te vragen.”

Een nieuwe voedingsbodem voor verdere verzuring dus?

“Nou, kijk, als ik op bezoek ben bij eenheden, en ik kom er regelmatig, dan constateer ik telkens weer dat de organisatie springlevend is, en dat mensen het tóch nog kunnen opbrengen, ondanks alle onzekerheid voor wat betreft hun toekomst, om zich volledig in te zetten. Er is een geweldige loyaliteit in de organisatie. Natuurlijk is het ook zo dat vanaf het begin van de jaren negentig de reorganisaties elkaar in vlot tempo hebben afgewisseld en dat mensen zich afvragen waar het met de organisatie naar toe gaat. En dan is het heel vervelend dat we de mensen op dit moment geen zekerheid kunnen bieden over hun toekomst.
Communicatie is in onze organisatie cruciaal: zodra je iets weet, moet je dat direct aan de mensen meedelen - zeker gezien de complexiteit en omvang van de reorganisatie. In de ‘Novemberbrief’ is aangekondigd dat er in het voorjaar een ‘Integraal Defensieplan’ komt. Helaas is dat door de nieuwe verkiezingen en de kabinetsformatie nu uitgesteld tot Prinsjesdag. Maar in dat plan zal worden uit-eenge-zet hoe de krijgsmacht er in de toekomst uit zal zien. Zolang dat niet bekend is, blijft de onzekerheid als het ware boven de markt hangen en dat is heel vervelend voor de mensen.”

Die loyaliteit en die inzet waar de defensietop, van minister tot comman-dan-ten telkens zo hoog over op geven, raken op een gegeven ogenblik opgesoupeerd vrees ik, als het personeel in onzekerheid blijft. Baart u dat zorgen?

“Natuurlijk baart mij dat zorgen, maar ik constateer dat mensen het nog steeds kunnen opbrengen. Ik voeg daar evenwel het volgende aan toe: Natuurlijk is elke organisatie, ook de krijgsmacht, in beweging. Maar de krijgsmacht is geen gewone organisatie. Het is niet te vergelijken met het IT-bedrijf om de hoek, om het zo te zeggen. Het is een organisatie die heel veel verwacht van haar mensen die bovendien vaak pas goed kunnen functioneren na een langdurige kennis- en ervaringsopbouw. In zo’n organisatie moet je, vind ik, niet elk jaar weer gecon-fronteerd worden met ingrijpende reorganisaties.
Kijk, de vraag wat voor krijgsmacht je wilt hebben is natuur-lijk een politieke keuze. Mijn verantwoordelijkheid als bevelhebber, met een mooi woord, als force provider, is om ervoor te zorgen dat er een goede balans is tussen taken en middelen, personeel en materieel. In de discussie die nu plaatsvindt zal ik ervoor zorgen dat díe feiten op tafel komen die vanuit het perspectief van de KL, relevant zijn voor de discussie. Ik noem het altijd een ‘defensiebrede taak - middelen discussie’, die in feite erop neerkomt hóe die krijgsmacht eruit gaat zien: de omvang en samenstelling van de diverse krijgsmachtdelen. Maar ook hoeveel geld we nodig hebben om die krijgsmacht draaiende te houden, - goed getraind en modern. Belangrijker is dus, hoeveel geld we uiteindelijk krijgen. Het is niet voor niets dat ik steeds aandacht vraag voor de hoge uitzenddruk van het KL-personeel.
Ik heb op dit moment overigens niet alleen zorgen over personeel, maar ook over investeringen. Noodgedwongen moeten we de uitvoering van materieelprojecten uitstellen of zelfs afstellen. Dit zijn allemaal zaken die in de discussie moeten worden meegenomen want, nogmaals, er moet natuurlijk een gezonde balans zijn tussen taken en middelen. Ik vind dat de Landmacht, net als de andere krijgsmachtdelen, een zeer moderne hightech organisatie moet zijn, die zich met de beste kan meten. Dat is ook belangrijk voor de veiligheid van de militairen die wij onder de moeilijkste omstandigheden uitzenden.”

Dat zou kunnen inhouden dat u te eniger tijd moet constateren dat u sommige taken niet of niet meer naar behoren kunt uitvoeren?

“Het is inderdaad mijn verantwoordelijkheid als BLS om die balans te bewaken en dus ook om aan de bel te trekken als er middelen ontbreken die er naar mijn gevoel nadrukkelijk moeten zijn. Nederland kiest voor een relatief kleine maar hoogwaardige krijgsmacht die in het hele geweldsspectrum moet kunnen optreden. Niet alleen in operaties zoals in Bosnië of Afghanistan, maar ook in het hoge geweldsspectrum. Daarom heb ik dus ook goede spullen nodig voor peace enforcement-missies. Dat we sommige van die spullen de afgelopen jaren niet, of in beperkte mate, hebben ingezet, betekent niet dat we ze nooit nodig zullen hebben. We moeten klaar zijn als dat nodig is.”

Maar baart het u zorgen dat u door de bezuinigingen sommige taken niet meer zult kunnen uitvoeren?

“Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomst van de discussie. Cruciaal is dat de financiële problematiek ons noopt tot een fundamentele taak-middelen discussie. Die loopt nu en die zal dus zijn afronding krijgen in het al eerder genoemde ‘Integraal Defensieplan’. En daarin zal duidelijk worden hoe de nieuwe taak-middelen verhouding komt te liggen.”

Veerkracht en loyaliteit

De Landmachtbevelhebber laat blijken maar wat trots te zijn op zijn organisatie die, in weerwil van de uitzonderlijke bezuinigingsdruk van de afgelopen jaren, nog altijd de veerkracht heeft om zonder noemenswaardige hiccups te blijven functione-ren. Urlings zou geen civiel bedrijf kennen dat de KL dat nadoet. “Bij een burgerbedrijf zou dat never gelukt zijn. En dat zegt toch heel veel over de kwaliteit van onze mensen en hun loyaliteit jegens de organisatie. Ondanks alles er het beste van proberen te maken ook als de sergeant-majoor voor de zoveelste keer heeft moeten horen dat er licht gloort aan het einde van de tunnel. Maar dan tóch je werk zo optimaal mogelijk blijven doen. Nogmaals, ik sta er telkens weer verbaasd van hoeveel veerkracht en loyaliteit in de organisatie zit. Maar dat betekent ook dat de politiek, en dan heb ik het niet zo zeer over ‘onze’ bewindslieden, maar de politiek in brede zin, de verantwoorde-lijk-heid heeft zich op een goede manier en intensief met defensie, de krijgsmacht, te bemoeien. Maar ook wij zijn als leiding, politiek en militair, aan onze mensen verplicht, nu echt fundamentele keuzes te maken, om te zorgen voor een krijgsmacht die voor langere tijd in de defensiebehoefte van ons land voorziet. Ik begrijp goed dat in tijden van laagconjunctuur de broekriem moet worden aangetrokken. Maar we moeten ons realiseren dat capaciteiten die we nu wellicht moeten afstoten, pas na vele jaren en met veel inspanningen en kosten terug te krijgen zijn. Zo hebben we na de Koude Oorlog in eerste instantie weinig geïnvesteerd in kennis en materieel op het gebied van NBC-verdediging (de verdediging tegen nucleaire, biologische en chemische wapens), waardoor we nu genoodzaakt zijn een fikse inhaalslag te maken. Kiezen moet dus, maar wel zorgvuldig.”

Toen u gevraagd werd om BLS te worden wat dacht u in eerste en wat in tweede instantie?

“Ik wist natuurlijk hoe de situatie was bij de KL. Als legerkorpscommandant in Duitsland was ik uiteraard betrokken bij de vele discussies over onder meer de problematiek rond investeringen. De omvang daarvan was mij dus bekend. En bij mijn aantreden wist ik ook dat een dergelijke taakstelling eraan zat te komen. Ik vind dat als je gevraagd wordt voor deze functie, je niet kunt weigeren als aan de cruciale randvoorwaarde, het wederzijdse vertrouwen, is voldaan. Dat betekent ook dat ik kan functioneren zoals ik wil functioneren, in het belang van de krijgsmacht en de KL in het bijzonder.
Bovendien, een functie als deze komt natuurlijk niet als een donderslag bij heldere hemel. Op een gegeven moment zit je, om het zo te zeggen, in een bepaald patroon van functievervulling waarin deze functie min of meer een logische volgende stap is. En dan is het meer een kwestie van je verantwoordelijkheid nemen op een gegeven moment.”

U bent een man die van uitdagingen houdt?

“Nou ik heb in Duitsland een functie gehad, het omvormen van het legerkorpshoofdkwartier, die voor mij, om uw woord te gebruiken, een grote uitdaging was. Een grote organisatie, met de daarmee gepaard gaande bureaucratische structuren, die zich niet gemakkelijk laten omvormen. Ook de KL is zo’n grote organisatie en als je op deze stoel zit, wordt natuurlijk ook het nodige van je gevraagd en gevergd. Vasthoudendheid én communiceren. Met mensen praten en ze zo ver krijgen dat ze jouw weg inslaan. Maar ook luisteren naar goede ideeën en dan je plan aanpassen.
Het gaat altijd om wederzijds vertrouwen. Vertrouwen in de militairen en burgers van de Landmacht van wie ik heel goed weet wat ze kunnen, ondanks de zeer ingrijpende reorganisaties.
Het opschorten van de dienstplicht heeft de KL grondig veran-derd maar de organisatie heeft getoond, zie de vele uitzendingen in de jaren negentig, over een enorme veerkracht te beschikken. Dit zijn allemaal zaken die voor mij de basis vormen van, noem het, de zingeving, om bij de KL te werken. Het was voor mij dan ook evident dat ik nooit zou kunnen zeggen: ‘Nou nee ik heb nu even geen trek in deze functie’. Ik doe het dan ook met veel plezier. Natuurlijk zijn niet alle zaken die je als bevelhebber op je bordje krijgt even leuk. Maar als je weer op bezoek mag bij de mannen en vrouwen op uitzending, zoals onlangs met oud en nieuw in Kaboel, bij eenheden in Nederland en Duitsland, de logistieke bedrijven of de staven, - ja, dat is dan de brandstof die de motor van de bevelhebber nodig heeft. Als je ziet hoe de mensen, ondanks alles, gemotiveerd en enthousiast hun werk blijven doen, dan is het de moeite waard om je daar als bevelhebber dag en nacht voor in te zetten.”

Daar laadt u zich mee op?

“Ja, absoluut! En laat het gezegd zijn dat ook hier in ‘het Haagse’ kei- en keihard wordt gewerkt en dat we het allemaal doen voor de mensen in de inzetgebieden. Dat is, om het woord maar te gebruiken, de output van de organisatie, de tanden van de organisatie. Dáár doen we het voor.”

Wat wilt u met de KL?

“De vraag naar ‘groen op de grond’ is de afgelopen 10-12 jaar zeer hoog geweest, - 75% van alle uitgezonden personeel - en het is mijn overtuiging dat dit ook de komende jaren onverminderd het geval zal zijn. Conflicten worden nu eenmaal op het land uitgevochten of leiden tot een langdurige aanwezigheid van, wat ik noem, ‘voeten op de grond’. Ik vind dan ook dat er best sprake mag zijn van het inbrengen van meer ‘voeten’. De uitzenddruk is en blijft hoog.
Kijk, er is de afgelopen 12 jaar ontzettend veel overhoop gehaald bij de Koninklijke Landmacht. De omvang is sterk gereduceerd: van een legerkorps met drie divisies en twaalf brigades in 1990, naar nu - als straks de reservecomponent is verdwenen -, een airmanoeuvre brigade, drie kleine parate mechbrigades en een Korps Commandotroepen.
Wij zijn in wapensystemen maar liefst een factor tien terug gegaan. Gezien de veranderde veiligheidssituatie was dat verantwoord. We hebben als KL in de afgelopen jaren dus zo veel verminderd, dat het nu geboden is om, gebaseerd op de vraag naar ‘groen op de grond’, een adequate capaciteit in stand te houden.”

Is België ons voorland?

“Nee. Nederland heeft natuurlijk een krijgsmacht die de afgelopen 10, 12 jaar heel nadrukkelijk aanwezig is geweest in tal van crisisgebieden. We hebben een prima naam, - als je kijkt naar ons functioneren in het buitenland dan doen we het zeer goed. Maar de verhouding tussen taak en middelen moet wel gezond blijven. En nogmaals, als we kijken naar de investeringen van de KL dan baart mij dat grote zorgen. Indien wij er dus voor willen zorgen dat de KL ook in de toekomst haar goede naam kan behouden, dan zijn die investeringen onontbeerlijk om ons personeel met goede spullen op pad te kunnen blijven sturen.”

De toekomst van de KL ziet er niet echt rooskleurig uit?

“Ik zal er alles aan doen om binnen de mogelijkheden die ik heb, een gezondere organisatie te bouwen. Dat is onder meer de achtergrond van het project SBSKL (Stroomlijning Bedrijfsvoering en Staven KL). Hiermee zijn we er echter nog niet. Maar, ik heb er vertrouwen in dat de defensiebrede discussie die nu plaatsvindt en die zal uitmonden in een Integraal Defensieplan met als fundamenteel uitgangspunt een gezonde taak-middelen relatie, ook voor de KL een gezond toekomstperspectief in petto heeft. Ik maak me wel zorgen om ons personeel en ik maak me er sterk voor dat er spoedig duidelijkheid komt.”


Platform Defensie Bedrijfsleven

De Bevelhebber der Landstrijdkrachten is positief over het samenwerkingsverband van Defensie en het bedrijfsleven. Eenzelfde stemming is ook te registreren bij het bedrijfsleven.
Voor het bedrijfsleven is het van belang te kunnen beschikken over een reservoir van goed opgeleide adspirant werknemers onder het bbt-contingent van de Landmacht. En voor de KL is het van belang te weten dat bbt’ers na hun reguliere dienstverband zonder problemen kunnen ‘herintegreren’ bij civiele ondernemingen. Urlings wijst in dit verband op “de meerwaarde die onze bbt’ers meebrengen op de civiele arbeidsmarkt. Niet zo zeer omdat ze gewapend met tal van certificaten en diploma’s terugkeren in de burgermaatschappij, maar meer nog omdat ze in dienst ‘volwassener’ geworden zijn en behept zijn geraakt met een ‘can do’-mentaliteit, een flexibele houding. Je merkt dat als het in een werkomgeving even tegenzit het altijd weer ‘onze mannen en vrouwen’ zijn die de boel weten op te peppen en de zaak weer vlot weten te trekken. Die meerwaarde van de bbt’er wordt steeds meer zicht-baar voor het bedrijfsleven.”

In het kader van het Platform Defensie-Bedrijfsleven, wordt onder meer via pilot-projecten in kaart gebracht in welke sectoren, Defensie en het bedrijfsleven elkaar in ‘win-win set-tings’, de hand kunnen reiken.
In de sector Trans-port en Logistiek bijvoorbeeld gaat een projectofficier van de Konink-lijke Landmacht na, hoe ‘militaire functies beter kunnen aansluiten op knelpuntfuncties in de sector’. Dit onderzoek moet dit jaar uitmonden in ‘ten minste drie separate pilots’.
Verder wordt gedacht aan ‘geneeskundige werkervaringsstages in de civiele sector’ voor ‘soldaten en korporaals geneeskundig’. Naast ‘een waarde-volle aanvulling op de ervaring’, is de stage tevens bedoeld om ‘deze instellingen te ontlasten in een voor hen, door de vakanties, moeilijke periode’.
Ook zijn er gesprekken gaande met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen, het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en met de Koninklijke Landmacht, ‘over het uitzenden van medisch personeel naar Curaçao. Uitgangspunt is militair personeel voldoende brede ervaring op te laten doen en gelijktijdig de kwaliteit van de civiele gezondheidszorg lokaal te verbeteren. Tevens zou het kunnen zorgen voor een verminderd vertrek van lokaal personeel naar Nederland.’

Maar ook in de beveiligingsbranche lopen er soortgelijke samenwerkingsprojecten. ‘Sinds een tweetal jaren is de nieuwe opleiding voor vrede en veiligheid, gericht op de uniformberoepen, in ontwikkeling. Voor een belangrijk deel van het defensiepersoneel, vooral voor militairen in functies als infanterie, luchtmobiel en mariniers, is de aansluiting op deze opleiding een reëel perspectief.’

Voorts is er de civiel-militaire samenwerking in IDEA-verband waarbij reserveofficieren gedurende korte tijd, een week of zes, worden uitgezonden naar Bosnië om een bijdrage te leveren aan de wederopbouw van de voormalige Joegoslavische deelrepu-bliek. Kortgeleden werd de honderdste reservist, een bankier, uitgezonden.
De BLS benadrukt dat dit soort contacten met het bedrijfsleven voor de krijgsmacht onontbeerlijk zijn om ervoor zorg te dragen dat Defensie “geworteld blijft in de maatschappij”.

[bron: www.acom-cnv.nl]
Een land is niet sterk als zij oorlog kan voeren, zij is pas sterk wanneer zij oorlog kan voorkomen...